zaterdag 12 mei 2012

-


Passend onderwijs
Passend onderwijs – kinderen met een rugzakje worden op een speciale manier begeleid op het regulier onderwijs.
Dit idee is voortgekomen uit de overtuiging dat elk kind onderwijs krijgt dat het best bij zijn of haar talenten en beperkingen past. Dankzij dit besluit kunnen ook kinderen met een stoornis of een handicap vanaf 2012 een reguliere school bezoeken, met behulp van de extra begeleiding die daarvoor beschikbaar wordt gesteld.
Voor ieder kind moet er een passende onderwijsplek zijn. Ook als het kind een handicap of gedragsproblemen heeft, moet het met extra begeleiding en maatwerk naar het reguliere onderwijs kunnen. Pas als het echt nodig is komt speciaal onderwijs in beeld.
Wat zijn de uitgangspunten?
Het kabinet heeft een ontwikkelingskader opgesteld dat bestaat uit de volgende uitgangspunten:
  • Het kind moet centraal staan. Dat betekent dat het aanbod moet worden afgestemd op de behoeften van elk kind afzonderlijk.
  • Passend Onderwijs houdt in dat een kind, door middel van overleg tussen schoolbestuur en ouders, op een school wordt geplaatst waar de mogelijkheden van het kind het meest tot zijn recht kunnen komen. Dat kan zowel binnen het regulier of het speciaal onderwijs zijn, maar tussenvormen zijn ook mogelijk.
  • De kwaliteit van het onderwijs goed moet zijn, zodat ouders erop kunnen vertrouwen dat het onderwijs van goede kwaliteit is.
  • Leerkrachten moeten voldoende bekwaam zijn om Passend Onderwijs in de klas te realiseren.
  • Het zorgaanbod van de school en de jeugdzorg (+AWBZ-zorg) voor kinderen die ondersteuning nodig hebben moeten goed op elkaar afgestemd zijn.
  • Het proces van indicatiestelling moet minder bureaucratisch en moet meer handelingsgericht zijn. Dat wil zeggen dat het antwoord moet geven op de volgende vraag: wat willen we met deze leerling bereiken in het onderwijs en wat is daarvoor nodig?
  • De middelen die beschikbaar zijn voor zorgleerlingen en die vrijkomen voor de invoering van Passend Onderwijs dienen hoofdzakelijk ten goede te komen aan het primaire proces: dus ten behoeve van het werken in de klas.
  • Op Rijksniveau dienen de uitgaven voor extra zorg beheersbaar te zijn.
Deze uitgangspunten zijn leidend bij de invoering van Passend Onderwijs.


Waarom nodig?
Veel kinderen die extra zorg nodig hebben, vallen tussen het wal en het schip. Het huidige zorgsysteem maakt dat scholen vaak onvoldoende of te laat een passend aanbod kunnen leveren. Teveel kinderen met gedragsproblemen of een handicap komen dan thuis te zitten. Daarnaast zijn scholen die wel onderwijs op met maat brengen vaak ver weg uit de leefomgeving van het kind. Hierdoor raken de leerlingen geïsoleerd van hun eigen omgeving en kunnen ze moeilijk integreren. Door de zorg die rondom het kind word gegeven,  wordt het beter op elkaar aangesloten en komt het kind beter tot zijn recht in de maatschappij en in het onderwijs!

Naast deze gevolgen voor kinderen, blijkt ook dat regels binnen de zorgstructuur vaak erg ingewikkeld zijn.
Passend onderwijs kan veranderingen met zich meebrengen voor leraren en begeleiders. Leerlingen krijgen zo veel mogelijk een ondersteuningsaanbod binnen het reguliere onderwijs. Het blijft wel mogelijk om ongeveer 70.000 leerlingen in het (v)so te plaatsen. Een nauwe samenwerking tussen speciaal en regulier onderwijs en meer gelegenheid voor professionalisering, biedt leraren mogelijkheden om te kunnen omgaan met (grotere) verschillen in de klas.

Praktijk
In veel regio’s zijn schoolbesturen al gestart met het vormen van passend onderwijs. Een eerste stap is vaak om alle partners met elkaar in gesprek te laten raken. Er moet vooral aandacht gegeven worden aan samenwerkingsverbanden, om te realiseren waar het om gaat bij maatwerk. Naast organisaties als Jeugdzorg, gemeente en Zorg Advies Teams is ook de samenwerking met ouders erg belangrijk.
Van een school vraagt het erg veel om op de juiste manier passend onderwijs te geven. Er wordt
nagedacht over een taakverdeling, en of het nodig is dat het personeel wordt versterkt.

-

Vragen over speciaal onderwijs:

1.      
Wat is een ambulante begeleider?
2.       Hoeveel soorten speciaal onderwijs zijn er wel?
3.       Wat betekend cluster 1 (2,3,4)
4.       Wat betekent REC?
5.       Leg kort uit ’zo gewoon als het kan maar zo speciaal als het moet’.
6.       Wat is LGF?
7.       Wat kan een OA doen om te signaleren
8.       Wat zijn de grote veranderingen na augustus 2012?
9.       Bespreek 3 zorgarrangementen.

Kinderen die het reguliere onderwijs niet kunnen volgen, kunnen terecht bij het speciaal onderwijs of met leerlinggebonden financiering (rugzakje) op de basisschool. Het gaat dan om kinderen met leer- of gedragsproblemen, lichamelijke, zintuiglijke of verstandelijke handicaps, langdurig zieke kinderen of kinderen met gedragsstoornissen. Op een speciale school krijgt het kind onderwijs en speciale, op het kind afgestemde hulp en begeleiding.

3 soorten beperkingen:
- slechthorendheid
- kinderen met autisme
- kinderen met spraak en taal problemen, of combinatie daarvan
Kenmerken: les geven in kleine groepje, speciale apparatuur, betere communicatie bij de kinderen.  
Antwoorden op de vragen:Ambulant begeleider komt in het regulier onderwijs om de leerkracht uit te leggen hoe je een kind met een beperking begeleid. Hij of zij komt op verschillende plekken. De ambulant begeleider komt één keer in de drie weken, mag niet minder.

De taken van een ambulant begeleider:
- plannen maken
- observeren
- gesprekken met de leerkracht
- gesprekken met de ouders
- hoe gaan we de rugzak inzetten

Er zijn 10 soorten scholen van speciaal onderwijs die zijn onderverdeeld in vier clusters.
Cluster 1:
Scholen voor blinde of slechtziende kinderen. Werken landelijk. Dit cluster is voor leerlingen met een visuele beperking.  Die kent een andere organisatievorm en heeft geen REC’s.
Cluster 2:
Scholen voor dove kinderen, slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden en kinderen met communicatieve zoals bepaalde vormen van autisme eventueel in combinatie met een andere handicap. Van deze clusters zijn er 32.
Cluster 3:
Scholen voor kinderen met lichamelijke en/of verstandelijke beperkingen, zeer moeilijk lerende kinderen en langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, kinderen met epilepsie en meervoudig gehandicapte kinderen die zeer moeilijk leren. In combinatie met een andere handicap.
Cluster 4:
Scholen voor kinderen met ernstige gedragsproblemen en/of psychiatrische problemen en verbonden aan pedagogische instituten. PI zijn er maar 7 in Nederland, kinderen van basisschoolleeftijden.
REC betekent regionaal expertise centrum. Het is een gebied waar speciale scholen samen werken. Dit is door de wet geregeld. Er zijn veel meer REC’s van cluster 3 dan cluster 1, omdat ze daar landelijk werken. Het REC ondersteund de ouders als ze een verzoek willen indienen om een indicatie. Ook kunnen ze de ouders vertellen welke gegevens ze  over hun zoon of dochter moeten aanleveren bij een CvI. .(= Commissie voor indicatiestelling) Het REC  helpt ouders bij het invullen van een aanmeldingsformulier. Het REC verzorgt tevens bepaalde vormen van diagnostiek en verlengde diagnostiek (bv. observatie). Bovendien organiseren en bieden de REC’s ambulante begeleiding aan reguliere scholen waar kinderen met een beperking les krijgen. Tenslotte maakt een REC afspraken met reguliere scholen over de begeleiding van kinderen met een rugzak.
Wec = wet op de expertise centra
scholen voor S.O. worden verdeeld in REC's (expers zijn werkzaam die leerkracht ondersteunen).
Een kind start altijd op een basisschool. Als er bij kinderen in het eerste levensjaar al kenmerken zichtbaar zijn zoals bij syndroom van down of dove kinderen, gaan ze meteen naar het speciaal onderwijs. Tot en met het 8ste levensjaar leren kinderen de talen beter kennen. Sommige kinderen worden tweetalig opgevoed. In de kleuterperiode  kun je snel zien of een kind mee loopt of achterblijft. Wanneer dit niet zo is, zal een intern begeleider kijken wat er aan gedaan kan worden.
Er worden allemaal onderzoeken gedaan op verschillende gebieden. Het kind zal psychologisch, logopedisch, psychiatrisch en medisch onderzocht worden. Alle onderzoeken gaan dan naar het CVI (commissie van indicatie instellingen). Daar wordt gekeken of de problemen groot genoeg zijn.

Dan krijgt het kind een stempel en beslissen de ouders waar het kind naartoe gaat.  Ze kunnen kiezen om met het geld wat ze van het Ministerie krijgen, het kind naar een basisschool te sturen met een ambulante begeleider vanuit het speciaal onderwijs. De andere kant is om het kind naar het speciaal onderwijs te sturen.  Het ligt ook aan de beperking. Als de beperking licht is, kan het kind naar de basisschool en worden daar middelen ingezet. Is het te veel, toch naar speciaal onderwijs.
Wanneer je als ouder(s) kiest voor speciaal onderwijs, worden er intake gesprekken geregeld. Ook wanneer een kind niet dichter dan 4 km  bij de school woont, wordt er gezorgd voor vervoer. Zo gewoon als het verantwoord is houden we de kinderen het liefst op de basisschool en anders speciaal onderwijs, want dan moet het.

Voor het kind zijn er een aantal voordelen als het op het reguliere basisonderwijs zit. Het kind is dan op tijd thuis, vriendjes zijn dichtbij en dicht bij huis, in een vertrouwde omgeving.

Naast speciaal onderwijs bestaat sinds 2003 ook het LGF. Dat betekent leerlinggebonden financiering, ook wel de rugzak genoemd. Deze zorgt voor extra ondersteuning van kinderen met een handicap binnen het reguliere onderwijs.
Een onderwijsassistent die in het speciaal onderwijs werkt, heeft een grote taak. Vaak werken onderwijsassistenten bij jonge kinderen, bijvoorbeeld bij groep 3/4 bij de taalgevoelige periode. Ze hebben dezelfde taken als de leerkracht. Ze mogen niet de klas overnemen, maar wel lesjes geven. Ze kunnen met kinderen apart gaan lezen, of in groepjes. Ook is het voor de kinderen heel fijn als de stof al een keer is doorgenomen. Als ze dan nog een keer dezelfde les krijgen, weten ze al veel. Je kunt dan als onderwijs alvast met de kinderen oefenen. Dat noemen we bijles.
Ook heb je nog andere taken zoals de kinderen helpen bij het tanden poetsen en surveilleren. Je gaat mee op huisbezoeken en je woont de ouderavond bij. Een andere taak die heel belangrijk is, is het observeren. Als de leerkracht bezig is met een les, kun je als onderwijs heel goed letten op een bepaald kind en het gedrag daarvan.
Er is in augustus 2012 een grote verandering plaatsgevonden. De Wet op het passend onderwijs is gekomen. Passend onderwijs is een tussen school. Scholen krijgen zorgplicht. De scholen gaan meer samenwerken. De REC’s brengen nog meer kennis over op de leerkrachten op de basisschool. Er komen samenwerkingsverbanden. Vragen zoals:  Waar komt meer zorg? Waar gaat het geld naar toe? Het speciaal onderwijs moet kleiner. De klassen moeten groter worden en veel mensen moeten weg, vanwege bezuinigingen. Speciaal onderwijs gaat werken met zorgarrangementen.
Zorgarrangement:
1. Licht arrangement:
    Leerling blijft op de basisschool met hulp van een ambulant begeleider (minder tijd beschikbaar
    dan voorheen)
2. Medium arrangement:
     Leerling blijft voorlopig op de basisschool met veel hulp van een  ambulant begeleider.
3. Intensief arrangement:
    Leerling wordt geplaatst op het speciaal onderwijs. Kwaliteit van nu kunnen we niet blijven doen.
Hoe ziet speciaal onderwijs er nu uit?
Leerlingen worden geplaatst in kleine groep van twaalf kinderen. Tijdens de kleuterperiode en de aanvangsgroepen (groep 3 en 4) wordt er extra ondersteuning  geboden van een onderwijsassistent. Een leerling mag maximaal drie jaar verblijven op het speciaal onderwijs.
Naast de groepsleerkrachten is er ondersteuning van logopedisten, psychologen, fysiotherapeuten, maatschappelijk werk, speltherapeuten, vakleerkrachten gym en muziek. Tot het dertiende levensjaar mag je verblijven op het SO. Daarna kun je kiezen voor het regulier onderwijs of voor het V.S.O. na de herindicatie. Dat is het voortgezet, speciaal onderwijs.


Bronnen:

Opdracht van College

-

Meervoudige intelligentie:

Mensen leren op verschillende manieren. De een leert door doen, de ander moet het ‘voor zich zien’ en een derde persoon moet de informatie eerst voor zichzelf ordenen om het te kunnen begrijpen. Als wij kinderen in het onderwijs iets willen leren, als wij willen dat alle kinderen begrijpen en onthouden, is het nodig dat er rekening wordt gehouden met de verschillen tussen de kinderen.

De theorie van Meervoudige Intelligentie gaat daarover.
De psycholoog Howard Gardner kijkt anders aan tegen intelligentie aan, dan hoe de meeste mensen denken. 
Deze theorie gaat uit van meerdere intelligenties die ontwikkelbaar zijn. Gardner definieert intelligentie als volgt: "Intelligentie is het vermogen om problemen op te lossen en ook het vermogen om nieuwe problemen te bedenken". Menselijke vermogens reiken veel verder dan lezen, schrijven en rekenen. Het is belangrijk het onderwijs ook aandacht  besteedt aan capaciteiten zoals aan muzikaal vermogen, beeldend vermogen of waarnemingsvermogen. Kinderen moeten volgens deze theorie iets doen met hun talenten/intelligenties. Dan gaat de school verder dan einddoelen en die ontwikkelingen zo omzet in levensvaardigheden. Scholen die deze theorie toepassen, proberen uit te gaan van de sterke kanten (matchen) en tegelijkertijd de zwakke punten bij te schaven (stretchen). De brede ontwikkeling wordt gestimuleerd. Zwakke en sterke kanten leren ze kennen zodat die worden omgezet in leren, samen werken en communiceren. Kort gezet het benutten van je intelligenties.

1.       Logisch-Mathematisch: logisch nadenken, abstractie, onderzoekend, motivatie om de fysieke wereld te verklaren. (Getal of rekenslim)
2.       Verbaal-linguïstisch: gevoelig voor taal, goed in spreken/luisteren/lezen, functioneel taalgebruik, goed in grammatica. (woord of taal slim)
3.       Visueel-ruimtelijk: goed geheugen voor beelden, leren door te kijken, sterk ontwikkeld topografisch gevoel, goed in staat emoties en ervaringen te visualiseren. (Met materiaal en ruimte iets kunnen inschatten)
4.       Lichamelijk-kinesthetisch: sterk besef van eigen lichaam, sterke motorische beheersing, behoefte aan beweging, leren door te doen. (Manier waarop je je lijf en ledematen beweegt + kracht en uithoudingsvermogen)
5.       Interpersoonlijk: begrijpen van anderen, gevoelig voor stemming van anderen, in staat anderen te motiveren, sterk vermogen tot empathie. (Hoe sociaal je bent en hoe gemakkelijk je sociale contacten legt.
6.       Intrapersoonlijk: zelfkennis, nadenken over eigen handelen, aanpassingsvermogen, persoonlijk ontwikkelen. (Hoe goed ken ik mezelf, mijn emotie? En hoe goed ken ik mijn drijfveren?)
7.       Muzikaal-ritmisch: gevoelig voor geluid, toonhoogte en ritmevast, koppeling van emotie en geluid, goed geheugen voor muziek. (Intelligent kunnen werken met ritmes en melodieën)
8.       Naturalistisch-ecologisch: belangstelling voor de natuur, observatie en herkenning, verzamelen en ordenen, omgang met planten en dieren.
Elk mens is uniek. Ook intelligenties zijn uniek. Alle intelligenties werken samen met elkaar en werken op elkaar in. Als de ene intelligenties zich ontwikkelt, worden de andere intelligenties onbewust gestimuleerd. Als je bijvoorbeeld zingt, ben je meteen ook bezig met de taalintelligentie die gestimuleerd wordt. Als iemand doet waar hij goed in is, gaan de intelligenties waar hij niet zo goed in is, ook beter. Intelligenties hebben elkaar nodig en stimuleren elkaar. Doen waar je goed in bent of wilt worden geeft je dit veel plezier en meer ontspanning.
Het uitgangspunt
De theorie van meervoudige intelligentie gaat ervan uit dat iedereen talenten heeft die niet zijn te vatten in de simpele constatering dat iemand 'meer of minder intelligent' is. De een is verbaal heel sterk en leert gemakkelijk door gebruik te maken van taal. Een ander ziet snel verbanden of logische gevolgen en een derde kan goed omgaan met ruimtelijk inzicht of maakt gebruik van klanken en ritmes.

Het gaat er dus niet om hoe intelligént je bent, maar hóé je intelligent bent!

Elk mens heeft een eigen 'intelligentieprofiel' waarin hij of zij zich onderscheidt van de ander.